• Andere Tijden ZAC: de Turfmarkt

    Op de Turfmarkt, in de schaduw van de net gebouwde Watertoren, vond op 1 oktober 1893 officieel de aftrap van ZAC plaats.

    De Turfmarkt zelf bestond toen zo’n 45 jaar. Dit stuk weiland lag op een gunstig punt naast het Almelose Kanaal, de turfschepen konden hier makkelijk aanleggen. Turf was destijds de belangrijkste brandstof, de gemeente Zwolle hoopte dat deze plek een belangrijk knooppunt voor de turfhandel zou worden. Dat bleek echter niet het geval. Maar wat een flop is voor de een, is winst voor de ander: het schiep ruimte voor andere bezigheden. De Zwolse schuttersvereniging kwam hier oefenen, diverse circussen streken hier neer en… er kon gesport worden.

    De meeste mensen deden nog niet aan vrije tijd, laat staan aan sport. Sport was een luxe.  Maar in de jaren ‘70 van de 19e eeuw begon bij de welgestelde burgerij het idee te leven dat lichaamsbeweging gezond was. De Turfmarkt werd een populaire plek om tegen een balletje te trappen, aan gymnastiek te doen en te roeien.

    Toen het roeiseizoen in 1893 was afgelopen, begon bij de Zwolse scholier Pim Adrian, zoals hij zelf schreef in het Jubileumboek 60 jaar ZAC, ‘het voetbalduiveltje’ te ontwaken. Hij wierp een balletje op. Het enthousiasme was direct groot en zo kwam het dat op 1 oktober 1893 ZAC werd opgericht.

    Naast voetbal kon je bij de Zwolsche Athletische Club ook terecht om ahletiek, gymnastiek, schermen, cricket, schaatsen, figuurfietsen en wielerpolo te beoefenen. Dat laatste was een soort voetbal op de fiets: je moest de bal met een van de wielen het doel intikken.

    De voetballende jeugd op de Turfmarkt werd met argusogen bekeen. Het conservatieve gemeentebestuur beschouwde sporten als een ‘zedeloze uitspatting van de gegoede burgerij’. En zij waren de enige niet. In het boek ‘Honderd jaar Zwolle: de Zwollenaren en hun sport’ van W. van den Bosch uit 1992, lezen we: ‘Toen ZAC’ers in 1893 hun spelletje gingen vertonen, in trui met sjerp, baret op het hoofd en een strakke kuitbroek in hoog schoeisel, waren zij niet zelden het mikpunt van spot en hoon.’

    In eerder genoemd jubileumboek, lezen we dat voetballen inderdaad nog geen ongevaarlijk tijdverdrijf was zo tegen het einde van 19e eeuw: ‘Het publiek, veelal opgeschoten jongens die niet bepaald sympathiek stonden tegenover voetballers, berokkende heel wat last en dat gaf geregeld aanleiding tot kloppartijen.’

    Toch ging ’t de voetballers van ZAC snel voor de wind. Het enthousiasme was dan ook groot. Voetbal was voor velen een nieuwe sport. Van de elf spelers die voor het eerste officiële elftal van ZAC uitkwamen, hadden acht spelers voor de oprichting van de club nog nooit in hun leven een voetbal van dichtbij gezien. En toch bleken ze, na een half jaartje oefenen, hun mannetje te staan toen ze tegen clubs voetbalden die al veel langer bestonden.

    ‘Elke wedstrijd was een feest’, schreef Pim Adrian bij het zestigjarig bestaan van de club. Wanneer ze bijvoorbeeld tegen Enschede moesten spelen, gingen ze daar ’s ochtends met de eerste trein naartoe. Dan werden ze afgehaald, gingen gezamenlijk ontbijten, speelden de wedstrijd en bleven hangen tot de laatste trein weer terug naar huis ging. En altijd werden ze dan weer uitgezwaaid door ‘dezelfde mensen met wie wij in de middag om de eer hadden gevochten.’

    Het veld van De Turfmarkt was relatief klein. De doelpalen werden tegen een kleine vergoeding bewaard in het sluiswachtershuisje. Voor officiële wedstrijden werd de Turfmarkt niet geschikt geacht , dan kon er uitgeweken worden naar de ruimere weilanden rond het Engelse Werk, de Hanekamp en het terrein achter theetuin Thijssen, waar later PEC zou worden opgericht. Vond zo’n wedstrijd plaats, dan gingen een paar junioren een dag eerder naar het weiland om ‘de souveniers der koeien’ (oftewel: de koeienvlaaien)  weg te halen. En schilderden ze witte lijnen op het gras.

    Maar het oefenveld van ZAC lag er schitterend bij vergeleken het veld waar Jasper Warner (de eerste voorzitter van ZAC en latere voorzitter van de KNVB) op moest spelen toen hij samen met een aantal andere ZAC’ers naar Osnabrück reisde voor een wedstrijd ‘tussen twee heuvels’: de verdediging stond hoger dan het middenveld.

    Diezelfde Jasper Warner zou er later voor zorgen dat ZAC naar het terrein van de Veerallee zou verhuizen. Waarmee we afscheid namen van de Turfmarkt als thuishonk. In de tweede helft van de 20e eeuw werd deze heilige grond steeds vaker bezet door de heilige koe en veranderde de Turfmarkt in een parkeerplaats. Tot die tijd bleef het veldje een geliefde plek voor jongeren om een balletje te trappen.